Wandmontage

1.Plaats het apparaat tegen een onbrandbare en stevige muur.
Figuur 1.
2.Plaats het apparaat op een minimale afstand (Figuur 1) van:
  • 50 cm van het plafond;
  • 20 cm van de zijwanden;
  • 10 cm van de vloer;
  • 50 cm vrije ruimte aan de voorkant.
3.Monteer het apparaat niet:
  • direct onder een stopcontact;
  • op een plafond of dak.
4.Plaats de muurbeugel (Figuur 2, pos. 1) tegen de muur en teken de vijf gaten af.
Figuur 2.
5.Boor vijf gaten op de afgetekende plaatsen.
6.Plaats de pluggen (Figuur 2, pos. 3).
7.Schroef de muurbeugel (Figuur 2, pos. 1) met vijf grote schroeven (Figuur 2, pos. 2) aan de muur vast met een kruiskopschroevendraaier (Figuur 2, pos. 4).
8.Zet het apparaat op een stevige, zachte ondergrond (Figuur 3, pos. 4).
Figuur 3.
9.Plaats de twee handdoekbeugels (Figuur 3, pos. 3) op twee van de drie mogelijke posities op de hoofdbehuizing (Figuur 3, pos. ).
10.Schroef de twee handdoekbeugels (Figuur 3, pos. 3) vast met acht kleine schroeven (Figuur 3, pos. 2) met een kruiskopschroevendraaier (Figuur 3, pos. 1).
Figuur 4.
11.Plaats de apparaatbeugels (Figuur 4, pos. 3) over de muurbeugel (Figuur 4, pos. 1).
Figuur 5.
12.Schuif het apparaat (Figuur 4, pos. 2) in de openingen van de muurbeugel.
13.Schroef het apparaat (Figuur 5, pos. 1) met een kleine schroef (Figuur 5, pos. 3) vast aan de muurbeugel met een kruiskopschroevendraaier (Figuur 5, pos. 2).